Franzenheim & Hockweiler

Franzenheim

De eerste sporen van bewoning in Franzenheim dateren uit de tijd van de Romeinse overheersing. Het dorp werd in 1098 voor het eerst officieel vermeld onder de naam “Brumtesma”. Tijdens een illegale opgraving in 1903 werden de resten van een Romeinse villa ontdekt.

Vier portiekzuilen van witte zandsteen en koperen munten uit de 2e en 4e eeuw konden worden veiliggesteld. Deze zijn tegenwoordig te bezichtigen in het Rheinisches Landesmuseum in Trier. Verdere opgravingen wijzen erop dat zich in het centrum van het dorp ooit een Romeinse villa rustica (landbouwbedrijf) bevond.

In de middeleeuwen was Franzenheim altijd een van de kleinste en armste dorpen in de omgeving. Een zekere economische opleving kwam in de 19e eeuw door de ijzerwinning – twee mijngangen zijn vandaag de dag nog bewaard gebleven – en door de productie van eikenschors voor de leerlooierijen. De karakteristieke wintereiken bepalen ook nu nog het landschap van het Franzenheim-Kernscheiderdal.

Hockweiler

In 975 schonk bisschop Mangerich de plaatsen Hockweiler, Irsch en Korlingen aan het klooster St. Martin. Vondsten uit de 4e en 5e eeuw wijzen er echter op dat het gebied al veel eerder bewoond was. Door een pestepidemie raakte Hockweiler in de middeleeuwen gedurende langere tijd verlaten.

Een bezienswaardigheid is de beschermde Marienkapel. Deze kapel werd in 1885 tegen de wil van de kerkelijke autoriteiten gebouwd en kon pas in 1916, na jarenlange geschillen met het bisdom, worden ingewijd.

Een tijdelijke verbetering van de economische omstandigheden kwam in de 19e eeuw door de winning van ijzererts. Deze mijnbouw bood werk en inkomen aan tot wel 300 mijnwerkers uit de hele omgeving.